‘Het oprichten van een B.V. kost € 18.000,=’, hoor je mensen vaak zeggen. Maar wat betekent dat? Eigenlijk, zoals zoveel standaarduitdrukkingen, klopt deze stelling niet helemaal. Het oprichten van een B.V. kost doorgaans wel wat meer, als je alle kosten, zoals die van een notaris, meerekent. Die € 18.000,= heeft betrekking op het minimale gestorte aandelenkapitaal bij de B.V.
Wil een B.V. behoorlijk kunnen functioneren en in staat zijn haar financiële verplichtingen jegens haar schuldeisers na te komen, dan heeft zij kapitaal nodig. Dat is verdeeld in aandelen en een ieder kan deelnemen in de B.V. door het nemen van aandelen daarin. Elke B.V. heeft een in de statuten vastgelegd maatschappelijk kapitaal. Dat is het maximale bedrag waarvoor de B.V. aandelen kan uitgeven. Bijvoorbeeld € 360.000,=, verdeeld in 360 aandelen voor een bedrag van € 1.000,= per stuk. Deze € 1.000,= is de nominale waarde van een aandeel. Van het maatschappelijk kapitaal van € 360.000,= moet op grond van de wet minimaal eenvijfde deel worden aangewend voor de uitgifte van aandelen, dus voor een bedrag van minimaal € 72.000,= (72 aandelen). Dit deel is het geplaatst kapitaal. Een aandeelhouder moet natuurlijk voor zijn aandelen betalen, oftewel: op zijn aandelen storten. Hij hoeft echter niet meteen het gehele bedrag van € 1.000,= per aandeel te storten. Dat moet, wederom op grond van de wet, minimaal eenvierde deel zijn. In dit geval dus € 18.000,=. Dit bedrag wordt het gestorte kapitaal genoemd. En dit laatste is nu precies waar het wettelijke minimum van € 18.000,= betrekking op heeft. De B.V. moet dit minimum te allen tijde in stand houden.
Natuurlijk hoeven de hierboven genoemde bedrag van € 360.000,= en € 72.000,= niet strikt in acht genomen te worden. Wat men in de praktijk vaak ziet, is dat een BV een maatschappelijk kapitaal van € 90.000,= heeft, waarvan dan eenvijfde deel (is € 18.000,=!) wordt geplaatst én geheel wordt volgestort.
Dit wettelijke vereiste zorgt er dus voor dat er altijd minimaal € 18.000,= in de B.V. ‘zit’. Deze regel is bedoeld om de schuldeisers van de B.V. te beschermen en om misbruik van de B.V. als rechtsvorm te voorkomen. Waterdicht is deze regeling natuurlijk niet. Als de B.V. verlieslijdend is, bestaat altijd het risico dat het kapitaal zakt onder het minimum of zelfs geheel verloren gaat. De wetgever kan niet voorkomen dat dit gebeurt. Strekking van de regeling is eigenlijk te voorkomen dat het vermogen van de B.V. uitgehold wordt door uitkeringen aan aandeelhouders. Uitkering van dividend is verboden indien het kapitaal van de B.V. ontoereikend is.
Omdat deze regel dus eigenlijk een soort schijnzekerheid biedt aan schuldeisers, gaat dit veranderen. Momenteel is de wetgever druk bezig met de behandeling van een wetsvoorstel tot flexibilisering van het B.V.-recht. Er zal veel gaan veranderen, maar in dit kader is met name van belang dat het minimumvereiste van € 18.000,= komt te vervallen. Het zal dus mogelijk worden om een B.V. met een kapitaal van bijvoorbeeld € 10,= op te richten. Schuldeisers hebben niet langer de garantie, wat deze garantie verder ook waard is, dat er minimaal € 18.000,= in de B.V. zit. De bescherming van schuldeisers is onder de toekomstige wetgeving vooral gelegen in het feit dat er, voordat er uitkeringen aan aandeelhouders worden gedaan, een dubbele test dient te worden verricht. Deze test komt kort gezegd op het volgende neer. Is ten eerste het vermogen van de B.V., dus het kapitaal plus de wettelijke en statutaire reserves, toereikend voor een uitkering aan aandeelhouders? Zo ja, kan de B.V. na de uitkering voortgaan met het betalen van haar opeisbare schulden? Zo ja, dan is een uitkering in beginsel toegestaan.
Maar wat indien de B.V. niet voor de test slaagt, maar er tóch een uitkering wordt gedaan? In een eerdere versie van het wetsvoorstel zouden de bestuurders van de B.V. dan persoonlijk jegens de B.V. aansprakelijk zijn voor het bedrag van de gedane uitkering. Dit is later teruggedraaid. De aandeelhouders zelf zijn immers degenen die uiteindelijk over de uitkering besluiten. Zoals het er nu naar uitziet, hebben de bestuurders een waarschuwingsplicht jegens de aandeelhouders. Zetten de aandeelhouders de uitkering toch door, dan zijn zij aansprakelijk voor het tekort van de B.V. dat door de uitkering is ontstaan.
Je moet lid zijn van FinanceBase om reacties te kunnen toevoegen!
Log in